Art. 64 AWR brengt de bevoegdheid mee een materiële belastingschuld op andere wijze vast te stellen dan in de heffingswet voorzien
De gemeente Oisterwijk heeft met exploitanten van recreatieterreinen convenanten gesloten op grond waarvan aanslagen forensenbelasting aan hen worden opgelegd. Het hof heeft geoordeeld dat de wijze waarop deze belasting is geformaliseerd weliswaar in strijd is met art. 223 Gemeentewet en met de Verordening, maar dat de strijdigheid door art. 64 AWR wordt geheeld (nieuwsservice 2016, week 5).
De Hoge Raad overweegt dat ook degene wiens materiële belastingschuld is geformaliseerd door een belastingaanslag die met een beroep op art. 64 AWR is opgelegd aan een ander, de mogelijkheid moet hebben die aanslag aan het oordeel van de belastingrechter te onderwerpen, zonder enige beperking die hem niet zou kunnen worden tegengeworpen indien de aanslag aan hemzelf was opgelegd. Die mogelijkheid kan degene wiens materiële belastingschuld het betreft bij deze heffing worden geboden door toepassing van art. 26a lid 2 AWR.
Terecht klaagt het eerste onderdeel van het middel erover dat het hof belanghebbende niet op grond van deze bepaling als beroepsgerechtigde heeft aangemerkt. De wetsgeschiedenis bevat onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de wetgever bij de invoering van het huidige lid 2 van art. 26a AWR uitsluitend het oog heeft gehad op de gevallen waarin een inkomens- of vermogensbestanddeel voor de heffing van inkomstenbelasting bij een ander dan de rechthebbende in de heffing wordt betrokken. Tot cassatie kan dit echter niet leiden, aangezien het hof terecht –op een andere grond – heeft aangenomen dat belanghebbende bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kan aanwenden tegen de aan de exploitant opgelegde belastingaanslagen. Het middel komt voor het overige tevergeefs op tegen het oordeel van het hof dat art. 64 AWR een toereikende wettelijke grondslag biedt om aanslagen forensenbelasting vast te stellen ten name van anderen dan de natuurlijke personen, bedoeld in art. 233 lid 1 Gemeentewet. Art. 64 AWR stelde bij het opleggen van de in geschil zijnde belastingaanslagen niet de eis dat het in afwijking van de belastingwet opleggen van een belastingaanslag aan een ander dan de belastingplichtige, de instemming van die belastingplichtige behoeft. Destijds was slechts vereist dat degene aan wie de belastingaanslag wordt opgelegd moet instemmen met de doelmatige werkwijze van de inspecteur. Voor zover degene aan wie de belastingaanslag wordt opgelegd niet dezelfde is als de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige, kon de inspecteur bepalen dat de belastingplichtige of de inhoudingsplichtige ook moest instemmen, maar noodzakelijk was dat niet.
DATUM:
11 augustus 2017
ECLI:
ECLI:NL:HR:2017:1608
ZAAKNUMMER:
16/00496
INSTANTIE:
Hoge Raad
