Afvalstoffenheffing; Kosten niet afzonderlijk toegerekend aan afvalstoffenheffing en reinigingsrecht
De heffingsambtenaar van de gemeente Duiven heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afvalstoffenheffing ongegrond verklaard.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Verordening verbindende kracht mist, omdat de opbrengsten van de afvalstoffenheffing hoger zijn dan de kosten die met het beheer van huishoudelijke afvalstoffen zijn verbonden.
De rechtbank is van oordeel dat de enkele stelling van de heffingsambtenaar dat de kosten van de reinigingsheffingen naar rato van de opbrengst van de afvalstoffenheffing en de reinigingsrechten kunnen worden toegerekend aan beide heffingen, onvoldoende is om aan de op hem rustende bewijslast te voldoen. Zonder onderbouwing valt niet in te zien dat de opbrengstverhouding een geschikte maatstaf is om de door belanghebbende ter discussie gestelde kosten van de posten ‘Reinigen openbaar gebied’ en ‘Alle afvalstoffen inzamelen, afkomstig van huishoudens en bedrijfsafval openbare werken’ over de beide reinigingsheffingen te verdelen.
Nu de heffingsambtenaar ten aanzien van de afvalstoffenheffing geen aparte specificatie van de kostenposten heeft gegeven, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat door middel van de afvalstoffenheffing slechts kosten zijn verhaald die verband houden met het beheer van huishoudelijke afvalstoffen en evenmin dat de afvalstoffenheffing niet meer dan kostendekkend is. Een en ander laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de tarieven van de afvalstoffenheffing niet in overeenstemming met de opbrengstlimiet van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer zijn berekend. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de opbrengstlimiet moet leiden tot algehele onverbindendheid van de tariefstelling voor de afvalstoffenheffing.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond.
DATUM:
18 november 2010
ECLI:
ECLI:NL:RBARN:2010:BO4350
ZAAKNUMMER:
AWB 08/4598
INSTANTIE:
Rechtbank Arnhem
