Betekeningskosten op terechte gronden opgelegd

De ontvanger van de Belastingdienst heeft aan belanghebbende € 10.420 vervolgingskosten in rekening gebracht voor het betekenen van een dwangbevel alsmede voor het leggen van beslag. Belanghebbende heeft administratief beroep ingesteld tegen de kosten voor het betekenen van een dwangbevel. De ontvanger heeft de beschikking, voor zover die de betekeningskosten voor het dwangbevel betreft, gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. In geschil is of aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag kosten voor het betekenen van een dwangbevel in rekening zijn gebracht. Naar vaste jurisprudentie zijn betekeningskosten eerst verschuldigd wanneer de belastingschuldige in de gelegenheid is geweest om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen. De beantwoording van de vraag of aan de belastingschuldige deze gelegenheid voldoende is geboden, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de hoogte van de schuld en de mate waarin belastingschuldige de aanslag kon zien aankomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Hoge Raad van 29 mei 1996, nr. 30212, BNB 1996/249 en 5 november 1997, nr. 32632, BNB 1997/406.
De rechtbank overweegt dat uit de Kostenwet noch uit de jurisprudentie voortvloeit dat vervolgingskosten alleen dan in rekening kunnen worden gebracht, indien belanghebbende reeds vóór de betekening van het dwangbevel in staat is geweest om kennis te nemen van de hem opgelegde aanslagen en deze te voldoen (vgl. Hoge Raad 5 december 2003, 39241, BNB 2004/89). De vraag of aan belanghebbende voldoende gelegenheid is geboden om van zijn belastingschuld kennis te nemen en deze te voldoen, moet beoordeeld worden naar het moment waarop de (materieel ten tijde van de betekening van het dwangbevel verschuldigd geworden) kosten bij beschikking aan belanghebbende in rekening zijn gebracht. De aanslagen zijn aan belanghebbende in persoon uitgereikt en diezelfde dag is het dwangbevel aan hem in persoon betekend. Belanghebbende heeft derhalve op dat moment kennis kunnen nemen van zijn belastingschuld. Hoewel belanghebbende ten tijde van de betekening van het dwangbevel was gedetineerd en aan hem beperkende maatregelen waren opgelegd, had hij niet de beschikkingsmacht over zijn vermogen verloren. Belanghebbende kon redelijkerwijs in staat worden geacht om de belastingschuld te voldoen of andere maatregelen te nemen, zoals het stellen van zekerheid. De rechtbank acht de door de ontvanger aan belanghebbende geboden termijn van ruim twee etmalen dan ook voldoende. Nu vaststaat dat belanghebbende op geen enkele wijze in de geboden termijn contact heeft opgenomen met de ontvanger, zijn de betekeningskosten op terechte gronden opgelegd.
 

Terug naar kennisbank

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.