40% van de kosten ‘reinigen openbaar gebied’ mag als last ter zake worden aangemerkt
De heffingsambtenaar van de gemeente Duiven heeft een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd en het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard. De Rechtbank Arnhem heeft het beroep gegrond verklaard en de aanslag vernietigd. Hof Arnhem-Leeuwarden is van oordeel dat de opbrengstlimiet niet is overschreden en de aanslag terecht is opgelegd (nieuwsservice 2013, week 22).
Het eerste middel betoogt dat het hof de afvalstoffenheffing ten onrechte heeft getoetst aan de opbrengstlimiet van artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet en niet aan artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De Hoge Raad oordeelt dat dit middel faalt. Het hof heeft inzake de toetsing aan de opbrengstlimiet geoordeeld dat deze limiet meebrengt dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing maximaal kostendekkend mag zijn en niet mag worden aangewend voor andere doeleinden dan die ter bestrijding van kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Aldus heeft het Hof onmiskenbaar het voorschrift van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer aan zijn beoordeling ten grondslag gelegd. Daarbij heeft het hof terecht dezelfde uitgangspunten voor de verdeling van de stelplicht en de bewijslast gehanteerd als die welke gelden voor de toetsing aan de in artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet voorgeschreven opbrengstlimiet.
Het tweede middel komt op tegen het oordeel dat 40% van de kosten van het reinigen van het openbaar gebied als een ‘last ter zake’ mocht worden aangemerkt.
Ook dit middel faalt. Tot de kosten die verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen kunnen ook worden gerekend de kosten betreffende het voorkomen, beperken en opruimen van zwerfafval, voor zover die kosten worden opgeroepen door huishoudelijke afvalstoffen. Het oordeel van het hof dat de post ‘reinigen openbaar gebied’ met name zal zien op het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen uit het openbaar gebied en dat de toerekening daaraan van 40% van die post niet te hoog is, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan overigens, als van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onvoldoende gemotiveerd.
DATUM:
23 mei 2014
ECLI:
ECLI:NL:HR:2014:1192
ZAAKNUMMER:
13/02955
INSTANTIE:
Hoge Raad
