Onlangs deed de HR uitspraak in de zaak over de verdubbeling van de OZB voor eigenaren van niet-woningen in de gemeente Vlaardingen. De zaak ging over zorgvuldigheid, motivering en evenredigheid bij de voorbereiding en vaststelling van belastingverordeningen of onderdelen daarvan.
De uitkomst was voor de gemeente Vlaardingen ongetwijfeld teleurstellend. Maar de uitspraak is ook in een ander opzicht wat teleurstellend. Het is er weer één in het rijtje van uitspraken over belangenafwegingen bij belastingverordeningen sinds de nieuwe lijn met meer nadruk op zorgvuldigheid en motivering van begin 2021. Het hof oordeelde dat niet is gebleken dat bij het voorbereiden van het verdubbelingsbesluit de nadelige gevolgen daarvan voor de eigenaren van niet-woningen zijn meegewogen. De HR acht dat oordeel feitelijk en niet onbegrijpelijk. De lokalebelastingpraktijk wordt uit die overwegingen niet veel wijzer over wat nu de eisen zijn aan een belangenafweging. Gezien de werking van de cassatieprocedure is zo’n ‘magere’ motivering van de HR wel te begrijpen. En niet iedere zaak leent zich voor het wegzetten van een uitgebreid kader. Maar het was fijn geweest voor de praktijk als de uitspraak wat meer duidelijkheid had gegeven over de eisen aan een belangenafweging en de inhoud daarvan.
Bij maatregelen die een lastenverzwaring inhouden, moeten de gerechtvaardigde belangen van de belanghebbenden die door de lastenverzwaring worden geraakt, worden meegewogen. Maar wat precies gerechtvaardigde belangen zijn, blijft nog onduidelijk. En ook hoe vergaand of diepgaand een belangenafweging moet plaatsvinden, blijft nog onduidelijk. Belangen van belanghebbenden kunnen heel divers zijn en op veel verschillende manieren worden geraakt. Wanneer zijn die belangen gerechtvaardigd en moeten ze meegenomen worden in de afweging? Hoe intensief moet het onderzoek naar die belangen en/of de gevolgen voor de belanghebbenden van de lastenverzwaring zijn?
Een voorbeeld: een gemeente wil de OZB voor woningen met 25% verhogen, omdat er geld nodig is. Dat raakt het financiële belang van de eigenaren van die woningen. Maar hoe moet je daar rekening mee houden? Is bijvoorbeeld koopkracht een gerechtvaardigd belang, waarmee rekening moet worden gehouden? Moet de gemeente dan onderzoek doen naar de invloed van die stijging op koopkrachtplaatjes van de eigenaren? Of zou het zo simpel zijn dat het voldoende is om in de begroting of bij de vaststelling van de OZB-verordening op te nemen dat de financiële belangen van de eigenaren stevig worden geraakt, maar dit acceptabel is vanwege financiële redenen? Maar wat voegt zoiets in werkelijkheid toe aan een belangenafweging? En wat zouden de gerechtvaardigde belangen van eigenaren van woningen nog meer kunnen zijn? Ik kan nog veel meer vragen bedenken, maar het beantwoorden is bij gebrek aan een duidelijk kader erg lastig.
Ik noem nog twee aandachtspunten met het oog op de komende vaststellingen van begrotingen en belastingverordeningen, en de raadsvergaderingen waarin dat gebeurt.
Kijk ten eerste als bestuur niet alleen naar de eigen belangen, maar besteed zeker ook goed aandacht aan de belangen van degenen die door een maatregel worden geraakt. Dat wordt nog wel eens vergeten. Soms wordt alleen bezien hoe de belastingheffer zelf voordeel heeft bij de maatregel (meer opbrengst, efficiency etc.). Terwijl het van belang is om je als belastingheffer te verplaatsen in de positie van de belanghebbenden en hoe hun belangen worden geraakt.
Zorg ten tweede dat bij amendementen ook alle belangen goed en kenbaar zijn geïnventariseerd en afgewogen. Het komt in de praktijk geregeld voor dat dit bij maatregelen in voorgestelde amendementen helemaal niet is gedaan. Dat is dan een risico, ook omdat het inventariseren van alle belangen en het onderzoek naar de gevolgen de nodige tijd kan kosten.
Arnaud Bruijns
Fiscaal adviseur lokale belastingenResultaatgerichte adviseur en procestijger. All-round in de lokale belastingen, met name rechtenheffing en toetsing van belastingverordeningen, en het voeren van procedures van rechtbank tot en met Hoge Raad. Extra affiniteit voor formele en processuele zaken.
