19 augustus 2025Fiscaal advies

Het ene gebruik van een pand is het andere niet

Paul van den Berg

Fiscaal adviseur lokale belastingen

Op 16 april 2025 deed het Hof ‘s-Hertogenbosch uitspraak in een geschil dat ging over de vraag of X zijn kantoorpand in gebruik heeft. Volgens Hof heeft X wel het ‘gebruik’ van dat kantoorpand voor de zuiveringsheffing maar niet voor de onroerendezaakbelasting en rioolheffing. Hoe kan dat?

Waar ging het over?

X en zijn echtgenote waren op 1 januari 2023 eigenaar van het kantoorpand, waarin zij tot 18 januari 2018 (datum pensionering) een notariskantoor hadden gevestigd. Het kantoorpand stond vanaf 18 januari 2018 leeg en heeft een langdurige periode zonder resultaat te koop en te huur gestaan.

Gedurende deze periode werd door X water verbruikt om het kantoorpand en perceel schoon te houden. Het waterverbruik over de periode van 29 oktober 2022 tot en met 1 augustus 2023 bedroeg 3 m³.

Het kantoorpand is vanwege verslechterde marktomstandigheden na de Covid-pandemie te koop aangeboden aan projectontwikkelaars. In 2023 is het kantoorpand verkocht aan een projectontwikkelaar die er - na bestemmingswijziging - vijf appartementen van wil maken.

Het bezwaar

X heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslagen. Op het daartoe bestemde bezwaarformulier heeft hij als reden van bezwaar vermeld:

‘Ik ben geen gebruiker (meer)’, met als toelichting: ‘Sinds 18-01-2018 is voormeld pand niet langer in gebruik geweest als kantoor.’

Oordeel Hof over onroerendezaakbelasting: geen gebruik

In art. 220 Gemeentewet is bepaald dat ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken onder de naam onroerendezaakbelastingen een belasting kan worden geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar een niet-woning gebruikt.

Volgens het Hof legt de Hoge Raad het begrip ‘gebruik’ van een onroerende zaak uit als het metterdaad bezigen ter bevrediging van de eigen behoeften. De maatstaf daarbij is dat er sprake is van (te verwachten) duurzaam gebruik. Het gaat niet om het louter beschikbaar houden van de onroerende zaak, maar de belastingplichtige moet er daadwerkelijk iets mee doen, waarbij ook het bewust leeg laten staan van de onroerende zaak als een vorm van gebruik wordt aangemerkt. Er is echter geen sprake van gebruik ingeval van leegstand waarbij het object wordt aangehouden of aangeschaft voor handels- en/of beleggingsdoeleinden.

Volgens het Hof staat vast dat het onderhavige kantoorpand op 1 januari 2023 leeg stond, dat geen sprake was van bewust (vrijwillig) gekozen leegstand en dat er geen werkzaamheden werden verricht met als doel het in gebruik nemen van het kantoorpand. Er was daarmee geen sprake van het metterdaad bezigen van het kantoorpand ter bevrediging van de eigen behoeften en er was ook geen duurzaam gebruik door X van het kantoorpand (meer) te verwachten. X deed na 18 januari 2018 niets meer met het kantoorpand, behalve het schoonhouden voor toekomstige verkoop of verhuur.

Volgens het Hof is X op 1 januari 2023 geen gebruiker in de zin van art. 220 Gemeentewet en is de aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning ten onrechte opgelegd.


Oordeel Hof over rioolheffing: geen gebruik

In art. 228a Gemeentewet is bepaald dat onder de naam rioolheffing een belasting kan worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van afvalwater en de zuivering van huishoudelijk afvalwater en de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van ingezameld hemelwater.

In art. 2 Verordening rioolheffing 2023 is bepaald dat het gebruikersdeel van deze belasting wordt geheven van degene die een perceel van waaruit water op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, gebruikt.

Het Hof stelt vast dat in dit geval sprake was van een perceel (het kantoorpand) van waaruit water op de gemeentelijke riolering werd afgevoerd. De enkele omstandigheid dat vanuit het kantoorpand water is afgevoerd, is echter onvoldoende om te kunnen spreken van ‘gebruik’ door X in de zin van voormelde bepalingen. Het Hof zoekt voor de uitleg van de term ‘gebruiken’ voor de rioolheffing - nu een toelichting daarop ontbreekt - aansluiting bij de uitleg van deze term voor de onroerendezaakbelasting. Daarmee is in dit geval geen sprake van een ‘gebruiker’ en is X niet aan te merken als belastingplichtige.

Volgens het Hof is de aanslag rioolheffing gebruiker ten onrechte aan X opgelegd.

Oordeel Hof over de zuiveringsheffing: wel gebruik

In art. 122d Waterschapswet is bepaald dat ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, onder de naam zuiveringsheffing een heffing wordt ingesteld ter zake van afvoeren.

Aan de heffing worden onderworpen (a) ter zake van afvoeren vanuit een bedrijfsruimte of woonruimte: degene die het gebruik heeft van die ruimte en (b) ter zake van het anders afvoeren: degene die afvoert.

Voor de uitleg van deze bepaling zoekt het Hof aansluiting bij de conclusie van A-G van Hilten bij de uitspraak van de Hoge Raad van 16 mei 2008

A-G Van Hilten legt de woorden ‘het gebruik hebben van’ als volgt uit:

“Naar ik meen kan uit deze formulering worden afgeleid dat voor de aanwijzing als heffingsplichtige niet vereist is dat de betrokkene de (woon)ruimte ook daadwerkelijk gebruikt. Als de wetgever dat vereiste had willen stellen, had het mijns inziens voor de hand gelegen dat de wet had gesproken van het ‘in gebruik hebben’. Dat is echter niet het geval. Voor de hoedanigheid van heffingsplichtige lijkt mij dan ook voldoende dat de betrokkene de feitelijke beschikkingsmacht over de ruimte - zeg maar: de sleutel - heeft (en niet gehinderd wordt in het gebruik van die sleutel).”

Het Hof leidt uit de tekst van de Verordening zuiveringsheffing en de toelichting daarop af dat voor de zuiveringsheffing het belastbare feit intreedt als sprake is van ‘afvoeren’ en dat degenen die afvoeren vanuit een object (het kantoorpand) belastingplichtig zijn. Of daarbij sprake is van afvoeren door degene die het ‘gebruik’ heeft van de ruimte, lijkt, ook gelet op de conclusie van de A-G, van ondergeschikt belang.

Voor de zuiveringsheffing volstaat daarmee de feitelijke beschikkingsmacht over de ruimte, zonder dat vereist is dat de ruimte daadwerkelijk wordt gebruikt. Nu X heeft afgevoerd vanuit de bedrijfsruimte en hij het gebruik (de beschikkingsmacht) had over die ruimte, is X volgens het Hof terecht aangeslagen in de zuiveringsheffing. Dit past ook bij de doelstelling van de zuiveringsheffing dat de vervuiler de kosten van de zuivering betaalt.

Snapt een belastingbetaler dit?

Er valt op zich weinig af te dingen op het oordeel van het Hof. Het Hof heeft goed beargumenteerd dat X in juridische zin wel het ‘gebruik’ heeft voor de zuiveringsheffing, maar niet voor de onroerendezaakbelasting en de rioolheffing.

Maar de gemiddelde belastingbetaler denkt waarschijnlijk: hoe kan ik nou voor de ene belasting wel en voor de andere belasting geen ‘gebruik’ maken van mijn pand?

Dit is het soms gapende gat tussen de juridische wereld van de belastingheffer en de alledaagse belevingswereld van de belastingbetaler.

Ik kan dit niet mooier verwoorden dan Van Leijenhorst deed in zijn annotatie in BNB 2008/208 bij de conclusie van A-G Van Hilten:

“Het valt een redelijk denkende mens, die geen klap van de juridische molen heeft gehad, eenvoudigweg niet uit te leggen dat hij, wanneer hij een woning gebruikt, daarmee iets anders doet dan wanneer hij de woning in gebruik heeft of van de woning het gebruik heeft. Evenmin begrijpt hij dat gebruik van een woning voor de ene belasting iets anders is dan gebruik van de woning voor de andere belasting. Een wetgever of een wetsuitlegger die hieraan voorbijgaat en minieme terminologische verschillen mede bepalend laat zijn voor de verschuldigdheid van belasting of evenveel betekenissen aan eenzelfde begrip toekent als er belastingen zijn, draagt bij aan een rechtstoepassing die niet gedragen wordt door het algemene rechtsbewustzijn. Die weg moeten we dus niet willen opgaan of, als we hem al zijn ingeslagen, bij de eerstvolgende afslag verlaten.”
 

Paul van den Berg

Fiscaal adviseur lokale belastingen

Ruim 30 jaar werkzaam in de lokale belastingen. Bestuurlijke ervaring. Gespecialiseerd in waterschapsbelastingen en Wet WOZ bijzondere objecten.

Deze website maakt gebruik van cookies

De noodzakelijke cookies zijn nodig voor het functioneren van de website. De statistiek-cookies verzamelen geen persoonsgegevens en helpen ons de site te verbeteren. Overige cookies zorgen voor een optimaal werkende website inclusief embedded content. Bekijk het cookiebeleid.