De Hoge Raad schept (meer) duidelijkheid over de beperkingen in WOZ-vergoedingen
In mijn vorige column (verwijzing) ben ik ingegaan op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025. Daarin is geoordeeld dat de beperkingen in de proceskostenvergoeding (PKV), zoals opgenomen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM (WHpkv), niet in strijd zijn met het discriminatieverbod en het EU-recht.
In voornoemd (tussen)arrest heeft de Hoge Raad een drietal voorwaarden geschetst die de wetgever op het oog heeft gehad voor de beperking van de vergoedingen. Er moet sprake zijn van rechtsbijstand waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat opgetreden wordt op basis van NCNP en de proceskosten moet worden overgemaakt naar de gemachtigde. Daarnaast moeten de procedures zo worden gevoerd dat de PKV de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.
Ik heb in mijn vorige column al aangegeven dat met name de derde voorwaarde nog tot diverse procedures zou leiden. Na het arrest zijn door de rechtbanken en de gerechtshoven inderdaad diverse uitspraken gedaan, waarin ingegaan is op de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor de beperkingen van de WHpkv niet van toepassing zijn.
Zo oordeelde de Rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2025:771) dat wel sprake was van een bijzonder geval, doordat de gemachtigde duidelijk tijd en moeite heeft gestoken in de procedure. Ook was bijvoorbeeld geen gebruik gemaakt van standaard-tekstblokken. Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2025:601) is van mening dat een tijdsbesteding van zes tot acht uur en het in deze zaak niet of nauwelijks gebruik maken van standaard-tekstblokken eveneens leiden tot een bijzonder geval, waardoor de WHpkv niet van toepassing is. Beiden hebben aldus de voorwaarden uit het arrest van 17 januari 2025 getoetst aan de specifieke zaken die voorlagen. De Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2025:2989) en het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:535) zijn echter van mening dat de beperkingen wel van toepassing zijn en hebben daarbij gewezen op het feit dat het bedrijfsmodel moet worden beoordeeld en tevens veelvuldig gebruik werd gemaakt van algemene tekstblokken. Duidelijk is dus dat in de lagere rechtspraak geen uniformiteit was over de invulling van de derde voorwaarde.
Op 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) heeft de Hoge Raad (eind)arrest gewezen en heeft daarbij aangegeven dat de beoordeling of het bedrijfsmodel van een gemachtigde aan de drie voorwaarden voldoet, moet plaatsvinden op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Bij de beoordeling van de derde voorwaarde gaat het volgens de Hoge Raad
bovendien niet om de werkzaamheden van de procedure die voorligt, maar om het bedrijfsmodel van de gemachtigde, of het kantoor. Het is duidelijk dat de Hoge Raad hiermee de organisatie van de gemachtigde doorslaggevend acht en niet de specifieke werkzaamheden in de procedure zelf. En de bewijslast dat sprake is van een bijzonder geval rust op de belanghebbende (dus de gemachtigde) en die bewijslast is volgens de Hoge Raad zwaar. Er moet immers buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat bedrijfsmodel een of meer van de drie geschetste kenmerken niet heeft.
Bij de beoordeling of sprake is van een vergaande overdekking moet volgens Hoge Raad een “vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan vergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor, die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben.” Als een NCNP-bureau dus wil aantonen dat niet aan de derde voorwaarde is voldaan, dan dient men gegevens aan te leveren over de tijdsbesteding, omzet, kosten etc. Je zou verwachten dat dit bijvoorbeeld kan via het aanleveren van de jaarrekening, maar dat is volgens mij niet voldoende. De Hoge Raad heeft immers expliciet aangegeven dat bij de berekening alleen de kosten meetellen die zien op de procedures waarop de proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Dat lijkt, in mijn optiek, toch sterk te suggereren dat alleen de procedures die succesvol zijn gevoerd, mogen worden meegeteld. Alleen in die gevallen wordt immers een vergoeding toegekend. Daardoor zal het voor de NCNP-bureaus in de praktijk zeer lastig (of zelfs onmogelijk) blijken om aan de beperkingen van de WHpkv te ontkomen. Niet succesvolle procedures en de kosten daarvan mogen immers niet meegerekend worden. Tot op heden heeft nog geen bureau het aangedurfd om het bedrijfsmodel geheel inzichtelijk te maken.
De Hoge Raad lijkt in de uitspraak bovendien ook alvast te anticiperen op bureaus die hun werkwijze mogelijk aanpassen zodat er strikt genomen geen sprake meer is van NCNP. Bijvoorbeeld door ook een klein vast bedrag in rekening te brengen, naast het incasseren van de PKV. De beoordeling geldt volgens de Hoge Raad niet alleen voor NCNP-bureaus, maar ook voor gemachtigde of kantoren die opereren op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee op één lijn kan worden gesteld.
Met dit arrest worden een aantal van de vragen die voortkwamen uit de eerdere uitspraak beantwoord. Toch zijn zeker nog niet alle vragen weggenomen, want wanneer is bijvoorbeeld sprake van opbrengsten die de kosten ver overtreffen? Zit daar een bepaalde marge in en zo ja, hoe hoog is die dan? Al met al komt er wel steeds meer duidelijkheid over de beperkingen in proceskostenvergoedingen in WOZ-zaken. Dat is zeker een goede zaak voor de uitvoeringspraktijk. Desondanks zullen er vast nog wel de nodige procedures over deze materie gaan volgen.
Daarnaast zijn er ook nog andere onderwerpen op het gebied van de PKV die heel erg actueel zijn, zoals bijvoorbeeld het beperken van vergoedingen voor geautomatiseerd gegenereerde taxatierapporten. Volgens de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties wordt er bij niet-inpandige woningtaxaties uitgegaan van een tijdsbesteding van twee uur en bij inpandige taxaties vier uur. De vergoeding is daarbij vastgesteld op € 53,- (te vermeerderen met omzetbelasting). Hof Den Haag is van mening dat aan het opmaken van een geautomatiseerd gegenereerd rapport niet veel tijd kan zijn besteed, omdat het volgens een video van de leverancier niet meer dan 0,2 seconde tijd kost. Daarom kan worden volstaan met een vergoeding van € 10,69, gebaseerd op een tijdsbesteding van 10 minuten.
De Hoge Raad heeft op 13 juni jongstleden (ECLI:NL:HR:2025:661) geoordeeld dat de rechter niet is gebonden aan de Richtlijn. Deze is immers geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, omdat die niet is vastgesteld door de gerechtsvergadering van het hof. Daarom kan niet worden beoordeeld of de uitspraak van het hof in strijd is met de Richtlijn. Ten overvloede overweegt de Hoge Raad dat als de Richtlijn wel bevoegdelijk zou zijn vastgesteld, niet zonder meer een vergoeding voor twee uur voor het opmaken van het taxatierapport hoeft te worden toegekend. De Richtlijn laat namelijk de ruimte om in gevallen waarbij de werkelijke tijdsbesteding voor een niet-inpandige taxatie veel geringer is dan twee uur uit te gaan van die geringere tijdsbesteding. Er hoeft dus niet in alle gevallen te worden uitgegaan van twee uur.
Hof Den Haag heeft zelfs al een aantal keer geoordeeld dat geen enkele vergoeding voor het taxatierapport moet worden toegekend, omdat dit niet kwalificeert als een deskundigenverslag (zie o.a. ECLI:NL:GHDHA:2025:1003).
