Een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag triggerde bij mij die vraag. In die zaak kent de Verordening rioolheffing als voorwerp van de belasting een ‘perceel’, en merkt als zodanig aan: de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. X stelt in de procedure tegen de aanslagen rioolheffing dat de objectafbakening onjuist is vastgesteld en dat de aanslagen daarom moeten worden vernietigd. Het hof oordeelt dat de klachten tegen de objectafbakening in deze procedure niet aan de orde kunnen komen. Die klachten hadden in een procedure tegen de beschikking waarin de WOZ-waarde wordt vastgesteld moeten worden aangevoerd. De Verordening rioolheffing verwijst voor het voorwerp van de belasting immers rechtstreeks naar (de objectafbakening in) de Wet WOZ, aldus het hof. Overigens blijkt uit de uitspraak niet of de WOZ-beschikking al onherroepelijk was, maar dat neem ik hier wel als uitgangspunt.
Het is interessant om een dergelijk oordeel te bezien in relatie tot rechtsbescherming. Het bij een aanslag rioolheffing niet meer kunnen aanvechten van de objectafbakening is in beginsel een beperking van de rechtsbescherming. De vraag is wat daarachter de gedachte zou kunnen zijn.
Rechtszekerheid?
Het zou misschien kunnen zijn dat de WOZ-beschikking, waarin de objectafbakening is verdisconteerd, onherroepelijk vast is komen te staan. In sommige uitspraken van de bestuursrechter wordt dan gesproken over formele rechtskracht van een eerdere beschikking of aanslag, maar het woord ‘onherroepelijk’ is wat mij betreft beter op zijn plaats. Is formele rechtskracht namelijk niet een mechanisme voor de taakverdeling tussen bestuursrechter en burgerlijke rechter? Als de WOZ-beschikking inclusief objectafbakening onherroepelijk is, kan die afbakening in een andere procedure niet meer aan de orde worden gesteld, zo kan worden gedacht. Voor zover hier de rechtszekerheid van het bestuursorgaan aan ten grondslag kan worden gelegd, is dat geen sterk argument. De heffingsambtenaar heeft een aanslag rioolheffing opgelegd. Die aanslag staat in geval van bezwaar en beroep niet onherroepelijk vast. Het valt niet goed in te zien hoe het onherroepelijk zijn van een deelaspect daarvan (de afbakening van een perceel) de rechtszekerheid van de heffingsambtenaar zou kunnen dienen of welk gerechtvaardigd belang die daarbij zou kunnen hebben. De rechtszekerheid van afnemers (bestuursorganen die op grond van een wettelijk voorschrift bevoegd zijn tot gebruik van een waardegegeven) kan ook niet in het geding zijn.
Doelmatigheid?
Een argument om de objectafbakening niet meer aan de orde te laten komen, zou misschien kunnen zijn doelmatigheid. Het is voor de rechter doelmatiger dat die zich niet meer hoeft te buigen over de objectafbakening. Dat lijkt mij echter van onvoldoende gewicht om een beperking van de rechtsbescherming op te baseren. Bovendien, van de belanghebbende zou gevergd worden dat deze een extra procedure (namelijk tegen de WOZ-beschikking) gaat voeren, en dat is zeker niet doelmatig, ook niet voor de heffingsambtenaar en eventueel later de rechter.
Verwijtbaarheid belanghebbende?
Een beperking van de rechtsbescherming zou misschien gebaseerd kunnen worden op het verwijt aan de belanghebbende, dat die maar bezwaar had moeten maken tegen de WOZ-beschikking. Het is interessant om te kijken naar een uitspraak van de Hoge Raad over ‘standaardvoorwaarden’. Dergelijke standaardvoorwaarden worden bij beschikking vastgesteld. Later, na het onherroepelijk worden van die beschikking, wordt een aanslag Vpb vastgesteld waarin aan één of meer standaardvoorwaarden uitvoering wordt gegeven. Toch kan de belanghebbende in een procedure tegen die aanslag Vpb de rechtsgeldigheid van de standaardvoorwaarden alsnog ter discussie stellen. Volgens de Hoge Raad kan van een belastingplichtige bezwaarlijk worden gevergd dat hij, met het oog op de eventuele aanwending van een rechtsmiddel tegen een beschikking dan wel de eventuele niet aanvaarding van de op hem betrekking hebbende voorwaarden, onderzoek doet naar alle mogelijke consequenties die de beschikking in een toekomstige constellatie zal kunnen blijken te hebben.
Nu is het voorbeeld van de standaardvoorwaarden niet helemaal vergelijkbaar, omdat de fiscale gevolgen ervan heel divers en onzeker kunnen zijn. Als de Verordening rioolheffing al is bekendgemaakt op het moment de WOZ-beschikking in de bus valt, dan zou een belanghebbende in principe kunnen weten dat de WOZ-objectafbakening gebruikt zal worden voor een latere aanslag rioolheffing. Daarmee is echter nog niet gezegd dat dit dan ook redelijkerwijs van de belanghebbende moet worden verwacht. Het stelt namelijk wel hoge eisen aan een belanghebbende. Een verband tussen WOZ-objectafbakening en de rioolheffing ligt vanuit het oogpunt van een burger ook niet meteen voor de hand.
Arnaud Bruijns
Fiscaal adviseur lokale belastingenResultaatgerichte adviseur en procestijger. All-round in de lokale belastingen, met name rechtenheffing en toetsing van belastingverordeningen, en het voeren van procedures van rechtbank tot en met Hoge Raad. Extra affiniteit voor formele en processuele zaken.
