We hebben er even op moeten wachten, maar onlangs heeft de Hoge Raad dan toch een ei gelegd over de vraag of twee glastuinbouwlocaties een samenstel zijn in de zin van de Wet WOZ (ECLI:NL:HR:2025:1211). Waar gaat het in deze casus om?
Belanghebbende exploiteert een kwekerij voor pot- en groenteplanten en is eigenaar en gebruiker van twee onroerende zaken in de gemeente Westland (hierna: de onroerende zaken). De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt, over de weg, meer dan twee kilometer. Beide onroerende zaken zijn glastuinbouwlocaties. De ene onroerende zaak bestaat uit glasopstanden (kassen), een opslagruimte met koelcellen, een kantine/kleedruimte voor personeel en een kantoorruimte. De andere onroerende zaak bestaat uit kassen, een opslagruimte met koelcellen, een kantoor/kleedruimte voor personeel en een woonhuis.
Het productieproces van de planten vindt plaats op beide onroerende zaken. Er vindt transport plaats tussen de onroerende zaken, bijvoorbeeld om potrozen te verplaatsen van de ene naar de ander onroerende zaak en om koelcellen optimaal te benutten. Het personeel van belanghebbende is (deels) op beide onroerende zaken werkzaam.
De gemeente, rechtbank en het hof (ECLI:NL:GHDHA:2023:41) kwamen tot het oordeel dat er sprake was van twee afzonderlijke onroerende zaken en dus geen samenstel.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ volgt, volgens de Hoge Raad, dat het bij deze bepaling gaat om objecten die bestaan uit twee of meer gebouwde dan wel ongebouwde eigendommen die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen en door één en dezelfde (rechts)persoon worden gebruikt. Daarbij is opgemerkt dat aan de hand van de omstandigheden in concrete gevallen zal moeten worden beoordeeld of onroerende zaken bij elkaar horen of niet.
Volgens de Hoge Raad betekent dit dat alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in ogenschouw moeten worden genomen om te beoordelen of sprake is van een samenstel van eigendommen.
Omstandigheden als hiervoor bedoeld, kunnen onder meer zijn:
i. de geografische samenhang tussen de eigendommen (zijn de eigendommen aaneengesloten of zijn er daartussen andere objecten gelegen?);
ii. de afstand tussen de eigendommen indien zij niet aaneengesloten zijn;
iii. de organisatorische samenhang tussen het gebruik van de eigendommen;
iv. de mogelijkheid dat de eigendommen afzonderlijk van elkaar worden verkocht;
v. de mogelijkheid om de eigendommen onafhankelijk van elkaar te gebruiken;
vi. de uiterlijke kenmerken van de eigendommen, en;
vii. de voor derden waarneembare samenhang tussen de eigendommen.
Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld welke van deze omstandigheden relevant zijn en welk gewicht daaraan toekomt voor de beoordeling of van een samenstel van eigendommen kan worden gesproken.
Het voorgaande brengt mee dat het niet goed mogelijk is nadere, algemene regels over het begrip samenhang te formuleren. Het brengt ook mee dat een oordeel van de feitenrechter over de vraag of er sprake is van een samenstel van eigendommen in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.
Belanghebbendes veronderstelling dat uit Schipholarrest (ECLI:NL:HR:2003:AD6058) zou volgen dat er altijd sprake is van een samenstel als de verschillende locaties dienstbaar zijn aan elkaar en als zij voor hetzelfde organisatorische doel worden aangewend is onjuist. De Hoge Raad heeft dat criterium enkel geformuleerd in het kader van die zaak. Aldus heeft de Hoge Raad zijn oordeel toegespitst op de in die zaak relevante omstandigheden van het geval. Het creëren van een samenstel is volgens de Hoge Raad dan ook niet te vangen in algemeen toepasbare regels. Goed om te weten!
